Sinterklaas is jarig! (zet ‘m op de pot)

Oh wat een pret als je dat durfde te zingen. Maar meestal durfde ik dat niet, want één sinterklaas woonde bij mij in huis. Alles wist hij van me. En wat hij niet wist van wat ie zag of hoorde, kreeg de sint van mijn moeder op een briefje. Ik had een haat-liefdeverhouding met die man. En ook met Piet. Had je op de kleuterschool eerst je ogen uit de kop gehuild om die twee, moest je er tóch nog mee op de foto. Mijn moeders hand houdt me op de plek.

Uiteindelijk na jaren geloofde ik niet meer. Niemand die me iets had verteld, maar steeds vaker zag ik mijn vader en een aantal ooms aan de keukentafel met schmink en een baard in de weer. Na een aantal adressen kwamen ze dan bij ons aan en stond ik alsnog in mijn broek te poepen van angst.

Datzelfde ritueel herhaalde zich toen onze eigen kinderen klein waren. De jongste kotste van de zenuwen zijn avondmaaltijd weer uit, de middelste moest altijd op het moment suprême poepen en de oudste bleef stoïcijns sinterklaasliedjes op haar blokfluit spelen, want zolang ze musiceerde hoefde ze niet bij de sint op schoot.

En nu vierden we het met de kleintjes. Zonder sint, maar met cadeautjes. Stonden die twee net tegen de deur geleund toen opa in plaats van een klein klopje een harde roffel ten beste gaf en vonden ze het eerste cadeautje al zo leuk, dat ze geen zin meer hadden om de rest uit te pakken.

Tussen mijn ervaring en die van de kleintjes zit ruim vijftig jaar. Er is niets veranderd en ook weer heel veel. Heel goed dat we ons dingen bewust zijn geworden, dat meningen zijn bijgesteld en dat de schmink veel vaker in het doosje blijft. De spanning en gezelligheid zijn er niet minder om.

En nu is de sint weer jarig. Zet ‘m op de pot. Oh wat zal hij stinken. Doe de deur op slot. Ik durf hè?!