Naar boven

“Ik heb nog nooit zo’n lege wachtkamer gezien,” zegt mijn moeder. Ze is net de steile trap  van de huisartsenpraktijk opgesjraveld, want de lift is weer eens stuk. We lachen achter onze mondkapjes en moeten dan weer lachen, omdat we niet zien dat we lachen.

Een man wordt door de praktijkondersteuner naar binnen geroepen. Even later komt er een vrouw de trap op, loopt meteen door, opent de deur van kamer van de huisarts waar ook mijn moeder een afspraak mee heeft.

‘Vreemd,’ denk ik. En ik hoor het mijn moeder ook denken. Misschien is het een assistente die iets moet vragen. Maar de vraag duurt meer dan een kwartier.

De telefoon van de man tegenover ons gaat. Het is zijn vrouw, begrijpen we uit het gesprek. “Maar ik zit al boven,” blijft de man herhalen. Met de telefoon aan zijn oor, loopt hij naar de assistente achter het loket. Dat ze zijn vrouw hebben gebeld, maar dat hij al boven is, legt hij uit. Mijn moeder en ik snappen er geen snars van en dat heeft onze buurvrouw op anderhalve meter in de gaten. “Je wacht beneden of in de auto en dan krijg je telefoon als de dokter je kan ontvangen. En nu hebben ze zijn vrouw gebeld, terwijl hij hier al zit.”

Moeder en ik kijken elkaar aan, seinen met onze ogen boven de mondkapjes. In de auto wachten op een telefoontje? Van deze werkwijze weten wij niks.

“Hebben ze dat jou niet gezegd?” vraag ik. “Heb je je telefoon wel bij je?”

Nee, schudt moeder.

Dus loop ik ook maar even naar de assistente achter het loket. Als ik de naam van mijn moeder noem, kijkt ze op een lijst. “Nee, uw moeder mag meteen naar boven komen.”

De vrouw die zo maar bij de huisarts naar binnen liep, is klaar. Het duurt even voordat hij een nieuwe patiënt naar binnen roept. Misschien is hij iemand aan het bellen die naar boven mag komen,” oppert mijn moeder. Maar dan gaat de deur open. “Mevrouw Dragstra!”

Weer bij de auto horen we naast ons een telefoon gaan. De man achter het stuur neemt op. Een keer raden waar hij naartoe mag?!