Rekenwonder

Rekenen was nooit zo mijn ding. Ik scoorde op de basisschool steevast vieren en vijven en in de kantlijn stond er dan: Sandra moet beter haar best doen. Maar dat deed ik niet, ik schreef liever verhaaltjes.

Dat de supermarkt in onze straat een naam had die niet klopte, dat wist ik als geen ander. 4=6. Daar hoefde je niet voor te kunnen tellen om te weten dat dat fout was. Vier is geen zes. Je hebt er op z’n minst nog twee bij nodig om die som kloppend te maken. Daar kon ik als kind mijn hoofd over breken. Totdat mijn moeder vertelde dat het om het spaarsysteem ging. Dat was zo mogelijk nog intrigerender, want mijn spaarcenten werden nooit zo maar van vier zes. Daar zaten nog heel wat stuivers, dubbeltjes en kwartjes tussen, die in de spaarpot moesten worden gedaan in plaats van ze uit te geven aan snoepjes of prullaria.

Uiteindelijk groeide ik over al die 4=6 vragen heen en was ik meer geïnteresseerd in de jongen achter de kaas. Toen ik er op een keer konijnenkaas bestelde in plaats van komijn, lachte hij me vriendelijk uit. Dat herhaalde zich nog een keer toen hij op een dag de boodschappen thuisbracht en ik in de woonkamer met een koptelefoon op mijn hoofd zat mee te zingen met mijn favoriete band (en we weten allemaal hoe dát klinkt).

Uiteindelijk verhuisden we naar Treebeek, zonder 4=6, maar met een groenteboer twee deuren verderop. Geen ingewikkelde naam, gewoon de achternaam van de eigenaar aan de gevel.

Overigens heet de 4=6 tegenwoordig PLUS en daar kom ik regelmatig met mijn moeder. Ruim veertig jaar later, kan ik me opnieuw verliezen in die naam. Beetje vaag, PLUS. Hoezo PLUS? Wat plus wat? Zet er dan op z’n minst cijfers bij zodat er iets uit te rekenen valt. Niet dat ik daarop zit te wachten, want ik schrijf liever verhaaltjes.