Boontje

Jaren geleden was ik met een gezelschap op treinreis. We waren uitgelaten, letterlijk en figuurlijk. Tijdens de terugreis waren we zo mogelijk nog uitbundiger. Een man met een grote koffer naast zich liet die waar hij was en wij verspreidde ons door de coupé. Wat ons er niet van weerhield met elkaar te praten. De hele reis hebben we ons afgevraagd waarom de man die koffer geen moment uit het oog verloor en wat er voor belangrijks inzat. Een lijk?  Geld? Wapens? Zijn schoonmoeder? We bedachten het, hardop. De man gaf geen krimp. Toen we uiteindelijk in Sittard de trein verlieten, was de opluchting van zijn gezicht te lezen.

Een paar dagen later ging ik met onze zoon naar zwemles. In de grote kleedruimte hielpen vaders en moeders hun kinderen met omkleden. En wie komt daar ineens de ruimte binnen? De man van de koffer, zonder koffer dit keer. Ik herkende hem meteen, of hij mij herkende kon ik niet van zijn gezicht aflezen.

Onze middelste werkte in de horeca. Over het algemeen werd ze vriendelijk en respectvol benaderd. Maar er waren klanten bij die vonden dat ze een dubbeltje meer waard waren en dat lieten merken ook. Die de mensen in de bediening als sloofjes behandelden. Die zich ongepaste opmerkingen veroorloofden. Die ‘één’ riepen en verwachtten dat de dames en heren achter de bar dan wel wisten of dat één bier, rode wijn, of whisky moest zijn. Want zij waren die en die en van die en die behoorde je te weten wat zijn lievelingsdrankje was.

Waar die en die aan voorbijging was, dat de dames en heren achter de bar studenten waren. Onder andere hartspecialisten en chirurgen in opleiding. En dat die en die dan ooit op een operatietafel ligt, de rode wijn en whisky zijn werk heeft gedaan en er dringend een operatie nodig is. En wie stapt daar de ruimte binnen? De hartchirurg die aan de patiënt vraag: “Eén?”

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *